standards:
xhtml  css

Klooster Rottum

Het Bendictijner mannenklooster Rottum wordt voor het eerst genoemd in 1226. Beschermheilige van het klooster was de heilige Juliana van Nikomedië. De laatste resten van het klooster zijn afgebroken in de negentiende eeuw.

De oudste vermelding van het Benedictijner klooster Rottum dateert uit het jaar 1226 en is afkomstig uit de kroniek van Emo en Menko. Er is daar sprake van een abt van het klooster te Rottum, die als getuige optreedt. De volgende vermelding van het klooster is afkomstig uit dezelfde kroniek en dateert uit 1234. Genoemd wordt dan een kluizenaar te Stitswerd, die voordien monnik was in het klooster te Rottum. Omdat de landerijen van het klooster vooral waren gelegen in de kerspelen die worden genoemd in een goederenlijst van het klooster Werden (Westfalen), veronderstelde Damen een stichting vanuit Werden. Stichter van het klooster te Werden was namelijk Liudger, aan wie in het gebied rond Rottum en Usquert veel goederen ten deel waren gevallen als gevolg van zijn missiearbeid in dat gebied. Het is evenwel niet mogelijk voldoende bewijs voor deze veronderstelling te vinden.

De naam van het klooster is waarschijnlijk later op het dorp Rottum overgegaan. Formsma veronderstelt op goede gronden, dat het klooster oorspronkelijk in het kerspel Eelswerd is gesticht, dicht bij de parochiekerk. In de loop der tijden groeide rond de parochiekerk en het klooster een nederzetting, die de naam Rottum zou gaan dragen ten koste van Eelswerd. Over de herkomst van de naam Rottum tast men in het duister. De meest gehoorde veronderstelling is, dat de naam van het eiland Rottummeroog, dat voor een groot deel in het bezit van het klooster was, is overgegaan op het klooster. Dit lijkt twijfelachtig: in de goederenlijst van het klooster Werden van omstreeks 1160 komt de naam Rottum al voor. Opvallend is dat Rottum het enige Benedictijner klooster in de provincie Groningen was, dat niet een dubbelklooster, maar uitsluitend een mannenklooster was. De patrones van de abdij was de heilige Juliana van Nikomedië, die vanaf de elfde eeuw in Europa vereerd werd. Als patrones van een klooster komt zij echter naar het schijnt nauwelijks voor.

Evenals de abten van andere kloosters was die van Rottum betrokken bij de politiek van die dagen. Zo bepaalden de Hunsingoër keuren van 1252, dat de abt in het Oosterambt (een deel van Hunsingo) recht zou spreken in voorkomende geschillen. Omtrent de economische en geestelijke toestand van het klooster in de eerste eeuwen van zijn bestaan weten we weinig. Ook in Rottum zijn in de vijftiende eeuw armoede en verval te constateren. Door incorporatie van de proosdij Usquert in 1458, effectief in 1474, werd een poging ondernomen om de armoede te keren. De bisschop van Munster stelde het klooster in het bezit van de proosdij onder de voorwaarde dat in het klooster een hervorming zou worden doorgevoerd op religieus terrein. Van Ebbe Quandt, abt van 1458 tot 1480, wordt in de oorkonde met betrekking tot de incorporatie gezegd, dat hij het klooster hervormde. We weten echter niet waaruit deze hervorming bestond. Mogelijk is hiermee de stichting van het voorwerk Bethlehem bedoeld. In deze vestiging op geringe afstand van het klooster leefde een aantal vrouwen als oblaten, dat wil zeggen dat zij alleen de belofte van gehoorzaamheid aan de abt hadden afgelegd. Ten behoeve van deze vrouwen stond bij het voorwerk ook een kapel. Rottum maakte deel uit van het Winsumerzijlvest. Abt Ebbe Quandt was een van de opstellers van nieuwe bepalingen voor dit zijlvest in 1464. Bovendien was de abt betrokken bij het opstellen van een zijlbrief voor de Hoogezijl in de Marne in 1428. Een opmerkelijke bepaling in deze zijlbrief, van belang voor een eventuele relatie met Werden, is dat de dijkrechters jaarlijks op Sint Liudger (26 maart) moesten worden aangezworen. De deelname van de abten aan de provinciale kapittels was relatief groot. In 1474 verscheen voor het eerst een vertegenwoordiger van de abdij op een kapittelvergadering. In de periode 1474-1488 nam maar liefst zes keer een vertegenwoordiger deel aan de kapittelvergaderingen en het is opvallend dat de incorporatie van de proosdij van Usquert in deze zelfde tijd plaats had. Op de vergaderingen werd de abdij meestal vertegenwoordigd door de abt van Selwerd.

De materiële staat van het klooster was in de zestiende eeuw van dien aard, dat de toenmalige abt, Dutmarus Rengers, de commissaris van de proosdij Usquert naar Munster stuurde om de opheffing van Bethlehem te bepleiten. Uit het verzoekschrift valt op te maken, dat het klooster zo'n 100 bewoners telde, waarvan circa 40 arm waren. In Bethlehem woonden nog negen vrouwen, die op een negen hectare groot stuk grond achttien koeien hielden en voor de rest in hun onderhoud voorzagen door wassen, weven en naaien. Dit was nauwelijks genoeg om deze vrouwen een redelijk bestaan te geven en de abt bepleitte daarom haar overbrenging naar het klooster, waar toch al vele gebouwen leeg stonden. Na de nodige bouwkundige veranderingen werd dit verzoek gehonoreerd. Volgens Siemens bezat de abdij circa 1184 ha land. Zwaartepunten van het grondbezit lagen in Rottum, Kantens, Usquert, Uithuizen, Garsthuizen, Westeremden, 't Zandt en uiteraard op het eiland Rottum. Volgens een uit 1566 daterende opgave bedroegen de jaarlijkse inkomsten 1500 daalder. In 1569 en 1587 werd het klooster onder andere door de Geuzen overvallen, geplunderd en in brand gestoken. Dit was voor de bewoners aanleiding om zich terug te trekken in het refugiehuis van de abdij aan de Oude Ebbingestraat in Groningen. Eerst in de negentiende eeuw werden de laatste resten van het klooster afgebroken. Volgens een beschrijving van Zuidhof uit 1857 bestond het klooster uit twee vleugels met een daartussen liggend front. Hiervan was nog een vleugel aanwezig. Uit zijn beschrijving valt op te maken, dat beneden aan een gang acht cellen lagen en dat op de bovenverdieping ter weerszijden van een smalle gang 34 cellen lagen. De cellen op de benedenverdieping waren hoogstwaarschijnlijk de ruimtes die oorspronkelijk aan de kruisgang lagen en de functie van sacristie, kapittelzaal etcetera vervulden. De kloosterkerk werd in 1892 afgebroken. Ten tijde van de opheffing hadden zestien personen, te weten acht mannelijke en vijf vrouwelijke religieuzen en drie lekebroeders, recht op alimentatie.

Literatuur

C.I. Damen, Geschiedenis van de Benediktijnenkloosters in de provincie Groningen. Assen, 1972

W.J. Formsma, De verhouding van het klooster Rottum tot het voorwerk Bethlehem en het kerspel Eelswerd. Groningse Volksalmanak (1959) 88-93)

(Dit artikel is afkomstig uit  Groninger Kloosters onder redactie van C.Tromp (Assen/Maastricht 1989), verschenen als deel 5 in de Groninger Historische Reeks.)